Lieve jongens en meisjes, luisteren jullie eens naar een verhaal over een eendje dat Eendje Kwak heette. Eendje Kwak was eigenlijk een heel vies eendje. Hij wilde helemaal niet graag dat alles in zijn kleine huisje schoon was. Nee, hij wilde juist graag dat alles in zijn huisje zo vuil en zo smerig was als het maar kon. Eendje Kwak was wel een vreemd eendje, vinden jullie ook niet? Zo werd in Eendje Kwak zijn huisje van lieverlede alles steeds maar viezer en vuiler. De familie, de kennissen en alle vrienden van Eendje Kwak begonnen er schande van te spreken.

Goede raad was duur. Maar op een dag, het was nog vroeg in de morgen, kwamen ze met z'n allen bij Eendje Kwak aan de deur en zeiden ze: "Eendje Kwak, je huisje is zo verschrikkelijk vuil dat het nodig eens moet worden schoongemaakt. Dat zullen wij wel eens even doen." En ze staken de handen uit de mouwen en begonnen met z'n allen te vegen, te kloppen, te schrobben, te boenen en te dweilen dat het een lieve lust was. En tegen het einde van de middag, toen de zon al laag aan de hemel stond, waren ze klaar en hadden ze het huisje van Eendje Kwak van boven tot onder schoongemaakt. Je kon nu in het kleine huisje van Eendje Kwak bij wijze van spreken wel van de vloer eten. "Ziezo, dat is klaar," zeiden ze tegen Eendje Kwak. "Je hele huisje is weer schoon."

"Dank jullie wel," zei Eendje Kwak. En toen gingen ze allemaal weer weg.

Maar Eendje Kwak was helemaal niet gelukkig dat z'n hele huisje weer helemaal schoon was. Hij vond het helemaal niet prettig. Gelukkig had Eendje Kwak op school een juffrouw gehad die een heks was. Maar het was een goede heks die hem een beetje toveren had geleerd. Daarom ging Eendje Kwak naar zijn kleine keukentje en kakte daar uit zijn kont een grote drol van stront en deed die drol in een aluminium steelpannetje. Nu vulde hij het pannetje met water, zodat de drol erin ronddreef, zette het pannetje op het vuur en sprak er een toverspreuk over uit. Nauwelijks waren de woorden van zijn toverspreuk verklonken of het begon in het pannetje te koken en te schuimen en te bruisen en te borrelen dat het een aard had.

De uitgekakte drol uit Eendje Kwak zijn reet, daar moest wel zege in zitten! Want die kak die kookte steeds maar hoger en hoger. Over de rand van het pannetje, over de aanrecht, over de vloer van de keuken, over de drempel heen de gang in, alle kamers door, hoger en hoger, tot het uit alle ramen van Eendje Kwak zijn huisje naar buiten kookte. Over de straat en van de ene straat van het kleine stadje in de andere.

Het duurde niet lang of alle mensen kwamen zo snel hun voeten hun dragen konden naar Eendje Kwak z'n huisje gelopen en bonsde op de deur en riepen: "Eendje Kwak, laat je vieze potje toch ophouden met koken!"

Maar Eendje Kwak deed niet open en trok zich van al het rumoer niets aan. Nu was hij pas gelukkig. Hij ging middenin de gang helemaal languit in zijn eigen borrelende en bruisende kak liggen. En viel al spoedig tevreden in slaap.

En als niemand de vlam onder het pannetje heeft uitgedaan, dan kookt het nu nog.